Mag een TOA een diagnose stellen?

De TOA is geen gereglementeerd beroep. De beroepscode van de TOA (die door de TOA vereniging is opgesteld) verwijst nadrukkelijk naar artikel 96 Wet BIG. Eén van de weinige bepalingen in deze wet die ook op niet gereglementeerde beroepsbeoefenaren van toepassing is. De gevolgen zijn bijzonder groot als deze groep buiten noodzaak niet alleen schade veroorzaakt aan de gezondheid van een ander maar ook een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt. De deskundigheid volgt in rechte lijn de opleiding. De Dutch HealthTec Academy legt de nadruk op datgene wat al in de naam TOA besloten ligt: ondersteuning van de oogarts (“je ondersteunt de spreekuren en je voert diagnostische onderzoeken uit voor een oogarts. Je doet het onderzoek zelfstandig en je rapporteert de resultaten aan de aanvragende oogarts. En bovendien: de technisch oogheelkundig assistent werkt onder supervisie van een oogarts die eindverantwoordelijkheid draagt voor de cliënten zorg”). In deze opsomming wordt “diagnose” niet genoemd.

De Gedragscode TOA sluit hier redelijk goed bij aan: de TOA werkt onder verantwoordelijkheid van de oogarts. Daarmee is al uitgesloten dat de TOA zelfstandig een diagnose kan stellen. Punt 1.7 is evenwel verwarrend: de TOA heeft op basis van zijn opleiding voldoende kennis en vaardigheid om een werkdiagnose te stellen maar dan: “een onderzoeksstrategie op deze werkdiagnose af te stellen en waar nodig een doelmatig advies te geven richting oogarts”. Een werkdiagnose is iets anders dan een diagnose en vormt een zeer ruim begrip. Binnen de BBC is hierover van gedachten gewisseld. Bij de werkdiagnose wordt gedacht aan het b.v. het uitvoeren van een Schirmer test door de TOA, omdat hij het vermoeden heeft dat de klachten gerelateerd zijn aan droge ogen of het besluit van een TOA om een patiënt niet wijd te druppelen bij vermoeden op een nauwe kamerhoek.

Bij discussie in de praktijk kan het verstandig zijn om de “ondersteuning” en “verantwoording en advies aan de oogarts” centraal te zetten in bijvoorbeeld een aantal schema’s rond een ziektebeeld: vanaf stap 1 met betrekking tot een bepaalde patiënt en daarbij aangeven wie de eerste voorlopige werkdiagnose bepaalt (dat moet wel de oogarts zijn) en welke bevoegdheden een TOA in dat kader en in het kader van de opdrachten heeft. Met dit schema en artikel 96 wet BIG in de hand (het lijkt uitermate riskant als de TOA meer doet dan volgt uit de opleiding, het profiel en de medische logica) kan de oogarts duidelijke lijnen stellen en ook desgevraagd helder maken wat er in het kader van 1.7 werkelijk bedoeld wordt met de “werkdiagnose”. Mocht de discussie met emotie gepaard gaan, dan is het vooral belangrijk om de potentiele misstappen van een zelfstandige werkdiagnose inzichtelijk langs de lat van “aanmerkelijke kans op schade” te leggen.

Contact

T: 024 - 32 49 044
M: 06 - 52 34 58 45
Bezoekadres:
Trieststraat 1e
6512 CW 
Nijmegen.
Postadres:
Postbus 1583
6501 BN Nijmegen