Bij eenogigheid of als maar één oog gebruikt wordt (bijv. diplopie):
≥ 0,6
Groep 2:
Beste oog : ≥ 0,8
Minste oog: ≥ 0,5
Visus zonder correctie
Groep 2:
Elk oog afzonderlijk: ≥ 0,05
(deze eis vervalt als de visus met correctie van 0,8/0,5 gehaald wordt
met een brillenglas met sterkte tot +/- 8D)
Brekings- en correctieafwijkingen
Groep 2: Correctie moet goed worden verdragen
Dichtbij zien
Uitwendig onderzoek
Groep 2: Geen diplopie
Stereoscopisch zien
Kleuren zien
Gezichtsvelden
Groep 1:
horizontaal: ≥ 120° (als deze eis niet gehaald word,
dan kan de keurling in uitzonderingsgevallen geschikt worden
verklaard met een gunstige medische verklaring en positieve
rijtest).
Groep 2:
normaal gezichtsveld
Donkeradaptatie
Overig
Groep 1:
Geen oogaandoening welke onveilig is voor verkeersdeelname
Bij progressieve oogaandoeningen moet de keurling regelmatig worden
onderzocht door een specialist.
Bij eenogigheid moet er voldoende gewenningstijd zijn geweest en
moet het gezichtsveld van het goede oog normaal zijn.
Opmerkingen
Groep 1: Categorie A, B, B+E en subcategorieën A1 en B1.
Groep 2: Categorie C, C+E, D, D+E, en subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E
Dit zijn minimum Europese eisen. De feitelijke Nederlandse eisen
zijn strenger en uitgebreider (zie secties CBR groep
1 en groep 2).
In Nederland bestaan er geen categorieën A1, B1, C1, C1+E, D1 of
D1+E.
Een intra-oculaire lens wordt niet als een correctieve lens
beschouwd.
Bij twijfel over een adequaat gezichtsvermogen van een keurling
→ onderzoek door specialist naar in het bijzonder visus, gezichtsveld,
schemerzien en progressieve oogaandoeningen.