Wettelijk kader en onderbouwing van de eisen

Sinds januari 1998 (Wet op de medische keuringen) is er veel veranderd ten aanzien van de aanstellingskeuring. Was voor deze datum de werkgever min of meer vrij om medische eisen te stellen aan de sollicitant, nu is een aanstellingskeuring nog slechts in een zeer beperkt aantal gevallen toegestaan: alleen wanneer voor het vervullen van de functie bijzondere medische eisen moeten worden gesteld op het punt van medische geschiktheid.
Als voorwaarden voor een aanstellingskeuring zijn ondermeer gesteld dat:

  • De functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid.
  • De functie-eisen vertaalbaar zijn in gezondheidscriteria.
  • Er een adequate methode voorhanden is om de medische geschiktheid te onderzoeken.
  • De werkgever functie-eisen opstelt, welke door de bedrijfsarts worden vertaald in gezondheidscriteria.
  • De werkgever tevoren het doel van de keuring, de functie-eisen, de gezondheidscriteria en de te verrichten medische onderzoeken schriftelijk vastlegt en bespreekt met de Ondernemingsraad.
  • Een aanstellingskeuring pas wordt verricht als de sollicitatieprocedure is afgerond.

Ook aan de keurende artsen zijn eisen gesteld. Zij moeten zijn verbonden aan een gecertificeerde arbodienst. De werkgever dient het werk zodanig in te richten dat zoveel mogelijk sollicitanten "medisch" gezien aan de eisen kunnen voldoen. Het werk moet dus worden aangepast aan de mens en niet andersom. De Wet op de medische keuringen betekent mede daarom een versterking van de rechtspositie van de sollicitant.

Naast de aan strikte voorwaarden gebonden aanstellingskeuring, is er de mogelijkheid van een intrede-onderzoek, een niet verplicht medisch onderzoek dat beoogt een nulmeting te zijn voor een later Periodiek Arbeidsgeneeskundige Onderzoek (PAGO). Aan dit onderzoek mogen geen consequenties in de zin van een uitslag aan de werkgever worden verbonden. Het enige dat de bedrijfsarts rest, wanneer uit de intredekeuring blijkt dat het beroep uit medisch oogpunt niet of minder geschikt zou zijn voor de keurling, is een advies aan de keurling. De werkgever mag hierover niet geïnformeerd worden.

De keuringseisen gezichtsvermogen worden tenslotte ook gehanteerd bij periodieke onderzoekingen en in het kader van het verkrijgen c.q. verlengen van bijvoorbeeld rijbewijzen en vaarbevoegdheden. In het geval van rijbewijs-keuringen dienen de eisen weliswaar strikt te worden gehanteerd, maar in overleg met het CBR. kan besloten worden tot bijvoorbeeld een rijtest, om te bezien of, en in hoeverre, het niet voldoen aan de normen inderdaad betekent dat iemand niet meer zou mogen rijden.

Bij scheepvaartkeuringen (voor de zee- en binnenvaart) wordt onderzocht of er al dan niet wordt voldaan aan de bestaande eisen. De eisen voor de zeevaart zijn door de Nederlandse overheid vastgesteld, die voor de binnenvaart door een internationale commissie. Deze eisen zijn gerelateerd aan het al dan niet in aanmerking komen voor een vaarbevoegdheid, dan wel een geldige geneeskundige verklaring ten behoeve van een vaarbewijs. De artsen die scheepvaartkeuringen mogen verrichten zijn geautoriseerd door de Minister van Verkeer en Waterstaat en hoeven niet verbonden te zijn aan een gecertificeerde arbodienst. Scheepvaartkeuringen en rijbewijskeuringen vallen niet onder de Wet op de medische keuringen.

De functies die een medische keuring op het gebied van gezichtsvermogen rechtvaardigen, zijn gerelateerd aan eigen veiligheid, maar vooral ook aan de veiligheid van derden. Naarmate het veiligheidsrisico hoger is, zijn de eisen strenger. Dat geldt voor zowel het niveau van de eisen, als de frequentie van herkeuringen. De beroepspiloot wordt vaker herkeurd dan de sportvlieger. Aan het gezichtvermogen van de beroepschauffeur worden hogere eisen gesteld dan aan dat van de doorsnee automobilist.

Een eis behoort tot stand te komen na een grondige afweging van een (visuele) beperking enerzijds en de daaruit voortvloeiende risico's, zoals die in de praktijk zijn aangetoond, anderzijds. Idealiter zou iedere eisensteller de onderbouwing van zijn eisen vastgelegd moeten hebben. In de praktijk is de onderbouwing van veel eisen niet gemakkelijk te achterhalen. Veel eisen zijn gebaseerd op consensus onder de opstellers. Idealiter zouden de eisen 'evidence based' moeten zijn.
          Gezien het voortschrijden van de techniek en veranderende werkomstandigheden behoren eisen met enige regelmaat (bijvoorbeeld eens per decennium) tegen het licht gehouden te worden.
          Veel eisen worden tegenwoordig in Europees, of ander internationaal verband gesteld. Soms gaat het om minimale eisen waarbij de nationale wetgever scherpere eisen mag stellen, zoals bij het wegverkeer. Soms gaat het om gemeenschappelijke eisen die voor alle deelnemende landen gelden, bijvoorbeeld bij Europees luchtverkeer, opgesteld door de Joint Aviation Authorithy.

Literatuur

  1. http://www.bpv.nl/wmk.html
  2. Owsley C, McGwin G Jr. Vision impairment and driving. Surv Ophthalmol. 1999 May-Jun;43(6):535-50.



NOG versie: Oktober 2005

Zoom in Reset Zoom Zoom uit